leefitems
plaggenhut
de poepdoos
opschriften
metselen
sek

SEK, germaans basiswoord

Sek is een typisch (indo)germaans woord uit het primitieve bosbedrijf. Tot die conclusie komen taalwetenschappers die zich bezig houden met de oorsprong van onze taal, de etymologie.
Sek betekent "snijden, zagen". Sek verwijst ook naar "omheinde ruimte, waarbinnen de dingvergadering werd gehouden".
Het snijden en zagen van takken was de bezigheid om een omheinde ruimte te kunnen vormen. Daarmee schep je een beschermde plek waarbinnen je kunt wonen, waar je recht kunt spreken en waar je mensen buiten kunt sluiten.


Hieronder zal ik woorden laten zien die zijn afgeleid van Sek. Je krijgt dan een beeld van hoe de taal is opgebouwd en wat belangrijke (pre)historische begrippen zijn.
Deze kennis heb ik geleend uit het boek "Nederlands Etymologisch Woordenboek" van Jan de Vries. Afkortingen spreken meest voor zich zelf (mnl = middelnederlands, oe = oud engels, got = gotisch, enz)


prehistorisch dorp

zaag
saghe (mnl), sage (mnd), saga (ohd), sagu, sage (oe), saw (ne), sog (on), seghe (mnl), sega (ohd), säge (nhd), securis (lat - bijl), sekyra, secivo (osl - bijl).
Eigenlijk "instrument om te snijden" van de indogermaanse wortel sek (snijden). Vergelijk:
secare (lat - snijden), saxum (lat - rotsblok) -> zie daarvoor mes, tescaid (miers - snijdt, bijt), seiche (oiers - huid, vel), sigg (on - harde huid), seka, sesti (osl - snijden).

mes
mes, mets (mnl), mes, messet, metset, mest, mezces (mnd), mezzer (mhd), messer (nhd), mes (owfri).
Daarnaast staan vollere vormen als: mezas (os), mazsahs, mezzisahs, mezzirahs, maces (ohd), meteseaux (oe), die leiden tot een grondvorm: mati-sahsa, mes om de spijzen te snijden.
Het eerste lid mati, mata (= spijs, zie moes): mete (mnl, oostel.), mat (os), maz (ohd), meti (os), mete (ofri, oe), meat (ne), matr (on), mats (got). Elet tweede lid sahsa beantwoordt aan: sahs (os, ohd), sax (ofri), seax (oe), sax (on), is "kort zwaard, mes", van de indogermaanse wortel sek (snijden), waarvoor zie zaag.
Wegens de verbinding met saxum (latijn) heeft men wel gedacht aan een gereedschap uit de steentijd. De volksnaam der Saksen betekent dus "de met een sahs bewapenden".

Sek (snijden, zagen) heeft vijf afgeleide woorden.
De betekenissen en associaties staan hieronder.

1. sked

vgl. schateren, schetteren


sked, skend, skhen, skhend: verstrooien, met geraas uiteen- werpen, verspreiden

2. skel

vgl. schel, schaal, schol, schild, slijten

3. sker

vgl. scheren



skerd - zie schort, schorten
skert - zie schaard, schrander
skerb - zie scherp, schrapen
skerp - zie scherf, schraven
skem - zie scheerling
skerm - zie scherm

4. skei

vgl. scheiden



skeit - zie scheiden
skeid - zie schijten
skeip - zie schijf
skeib - zie schip en schiften
skei(n) - zie scheen
skei(r) - zie schier

5. skeu

vgl. schuur, schuilen


1. schateren
Scateren (mnl - schetteren, snateren, kakelen, schaterlachen), schateren (mnd - kraken, schaterlachten).
Men zal voor dit klankwoord mogen uitgaan van een grondbetekenis "met gekraak uiteenscheuren" en dan kan men verbinden met schaeteren en schetteren (verstrooien, met geraas uiteenwerpen).
Skliadate (oi - splijt), scandayeiti (av - breekt stuk, vernielt), skedannumi (gr - splijt, verstrooit), scandula, scindula (lat - lei, dakpan), skederva (lit - splinter), kediti (lit - barsten), skadu (osl - arm, klein).

2a. schel
Meestal schil, dop.
Scelle, scille (mnl - schup, schelp, schaal, bast, schors, huls, vlies, schilfer), schelle (mnd - schub, schelp, schaal), sciell (oe - schub, schelp, schaal) skel (on - schaal, schild), skalja (got - tegel), kaljo (gerrn).
Bij de indogermaanse wortel skel (snijden), vergelijk skallo (gr - hakken, omwoelen), scailim (miers - verstrooien), scailt (miers - spleet), scellec (miers - rots), skala (osl - steen, rots), skolika (osl - schelp), skeliu, skelti (lit - splijten), skelt (lett - splijten).
Zie schaal en schol.
Van de indogermaanse wortel skel zijn behalve schelen de volgende afleidingen te noemen: schild, schelp en schelf en half, schalk; van (s)kelm: schalm en halm; en van (s)klei: slijten.
Naast skel staat kei (= roepen, schreeuwen). Vergelijk hel als helder klinken.

2b. schaal
Schil, dop, eierschaal, notendop, huls, schotel, drinkschaal, weegschaal.
Ofschoon P.D. er op wijst dat skelo (germ) oorspronkelijk "uit een schedel gemaakte drinknap" betekende, is er geen aanleiding nu ook dit woord uit skolo te verklaren en met scheel en schedel te verbinden. Of men nu ook met K.M. skelo als "van het hoofd afgesneden hersenpan" (die uit drinknap gebruikt werd) mag verklaren is twijfelachtig. Het drinken uit schedels wordt vaker van Kelten dan van Germanen bericht; indien het niet in een affect van woede geschiedde, was het toch een handeling van cultus; als algemeen gebruik heeft het niet bestaan.

2c. schol
Scolle (mnl - ijsschots, aardkluit), scholle, schulle (mnd), scolla, scollo (ohd - kluit, klomp), skolla (plaatje metaal).
Germaans skullan, skullon: van skel (splijten).

2d. schild
Stilt (mnl), skild (os), scilt (ohd), skeld (ofri), scield (oe), skjoldr (on), skildus (got), skeldu (germ), skiltis (lit - schijf).
Dentaal-afleiding van de Indogermaanse wortel skel (splijten, waarvoor zie schel). Het schild is dus genoemd naar de dunne gespleten latten, waaruit het samengesteld was en die door een metalen ring samengehouden werden.

2e. slijten
Sliten (mnl - verscheuren, uittrekken, verslijten, in het klein verkopen, beslissen; zelden: te niet gaan), slitan (os - stukscheuren, splijten), slizan (ohd - verscheuren, splijten, verslijten), slita (ofri - afbreken, voor ongeldig verklaren), slita (oe - scheuren, splijten), slita (on - verscheuren, splijten, verslijten, opheffen).
Indogermaanse basis skleid.
Vergelijk skleindziu, skleisti (lit), skliest (lett - uitbreiden), sklaidus (lett - verstrooid). Verwant met sleet, slet, sleter, sliet, beslissen.
Men gaat uit van de wortel sklei, die een afleiding is van skel (snijden), waarvoor zie schel.

3. scheren
Sceren (sterk, mnl - schaven, schrappen, scheren), skeran (os), sceran (ohd - scheren, afsnijden), skera (ofri - scheren, maaien), scieran (oe - scheren, snijden), skera (on - snijden, afsnijden, scheren, slachten, beitelen).
Indogermaanse wortel (s)ker: keiro (gr - snijden, scheren), caro (lat - vlees), karn (umbr - deel), apa-skaram (oi - uitsnijding), kmati (oi - verwonden, doden), kerem (arm - schaaf), scaraim (oiers), skiriu (lit - snijd af, scheid), kor (alb - snijd af), sker (alb - ruk af, los).
Daarnaast een zwak werkwoord skarjan, vergelijk sceren (mnl - scharen, schikken, toedelen, spannen; zie schering). Ook gereed maken, voorbereiden, vormen, doen handelen.
Skerian (os - toedelen, bepalen, indelen), scerian (ohd - toedelen, bepalen), scierian (oe - toedelen, beschikken).
Het zich wegscheren (nnl) is waarschijnlijk aan het hd ontleend, vergelijk schern (mhd), scheren (laat-mnd - snel weglopen), maar dit hoort eerder bij de wortel (s)ker "springen, rondspringen", waarvoor zie scherts (gekscheren).

Van de wortel (s)ker zijn verder afgeleid schaar, scheer, scheur, schor en het werkwoord haren (= scherpen van de zeis).

3a. schort, schorten
Schort: hemd, kort, afgesneden, afgesneden stuk (slachten, splijten, opensnijden, verdelen). Vergelijk o-skrudu (osl - werktuig om stenen te bikken); oskord (russ - grote bijl).
Schorten: opschorten, verkorten, opbinden, optrekken, uitstellen, minder breed maken, belemmeren.
3a1. scherts, schertsen
Vrolijk springen, zich vermaken, dartelen, stoeien. Vergelijk: skart (on - kostbare kleding), skertast (nnoorw - schertsen), skarta (nnoorw - lichtzinnige vrouw).
Zonder s-: vallen, wankelen, zich haasten. Licht bewegende top der takken. Vrolijke dans in de komedie. Scharnier, draaipunt. Schrijden. Werpen.
Indogermaanse wortel (s)kerd, dentaal-afleiding van (s)ker (springen), vergelijk met: zich wegscheren (nnl), scheren (laat-mnd - snel weglopen; spotten, honen), sceron (ohd - uitgelaten zijn), scheren (mhd - ijlen), scem (ohd - scherts), scherke (mnd - meeuwensoort), skari (on - jonge meeuw), skirja (on - jonge koe).

3b. schaard, schaarde
Kerf in het scherp van wapen of werktuig.
Scaert, scart (mnl - schaard, breuk, bres, opning, uitgebroken stuk, scherf), skart (mnd - schaarde, spleet, wond, scherf, brok, pot, pan), scharte (mhd - schaarde, wond, opengebroken opening), skerd (ofri - snee, stuk), sceard (oe - schaarde, spleet, scherf), skard (on - keep, breuk, gebrek, schade).
Daarnaast skard (os - gewond), scart, lidi-scart (ohd - verminkt), skerd (ofri - gespleten, met kepen), sceard (oe - gekerfd, verminkt, beroofd), skaror (on - met schaarden, beschadigd, verminkt), scert (oiers - deel), scortum (lat - vel, leer).
3b1. schaar
In de betekenis van menigte.
Scare (mnl - afdeling soldaten, troep, schaar), schare (mnd - afdeling, schaar, gevolg), scara (ohd - afdeling, troep), skor (on - schaar).
Daarnaast scare (mnl) en schaer (noordnl - o.m. stuk grond nodig voor het grazen van één dier, hoeveelheid voedsel daarvoor, recht om een volwassen dier in de gemene wei te laten grazen, aandeel in de mark, grondstuk van bepaalde grootte als eenheid voor belastingopbrengst), schar (mnd - hoeveelheid voedsel voor een dier, recht vee op de gemene weide te laten grazen), skar, sker (fri - deel in de gewene wei, zomerweide voor vee, hoeveelheid mest van een koe gedurende de winterstaltijd), scearu (oe - aandeel, deel, share (ne).
Evenals bij schaal zijn hier de germaanse skaro en skera samengevallen. Gewoonlijk verklaart men de beide woorden als ontstaan uit een begrip "het afgescheidene, het afgedeelde". Het is de vraag of men van zulk een abstract begrip moet uitgaan: het germaanse werkwoord skeran behoort tot de terminologie van het oeroude bosbedrijf en duidt eigenlijk het snijden van twijgen voor schuttingen aan. Gaat men dan van de gevlochten omheining uit, dan kan men daaruit afleiden een betekenis "dinggemeenschap, die op een omheind gebied vor de dingvergadering zich verzamelt"; het ene schaar is dus de daar bijeengekomen mannen, de andere is de naam voor de aldaar aan de leden der gemeenschap toegewezen delen van de gemene mark.
In de betekenis van gereedschap.
Vergelijk ploegschaar. Afleiding van scheren. Dat een woord voor schaar een dualis-vorm is, vindt zijn verklaring daarin, dat het gereedschap uit twee messen bestaat.
In de betekenis van hoge steile oever, schaardijk, schor, kustlijn; zie schor.
3b2. schrander
Sedert de 17de eeuw met de betekenis scherp, bitter; bits; zuur. schrannig (westf - onaangenaam, hard tegen ondergeschikten).
Het woord betekent eigenlijk scherp, snijdend, vergelijk schrander (drents - scherp, wrang, bijtend, schraal), schrander in de hals (gron - met scherp gevoel in de hals), (hindel - ijverig), skrander (nfri - vroeg aan het werk, schrander; opskranderje - zich flink te weer stellen), schran (oostfri - scherp, bijtend, stekend). Verder: splijten van droogte, openbarsten, kerf, dor, mager, onvruchtbaar, spleet.
Indogermaanse basis (s)krent, vergelijk kmtati (oi - snijdt), afleiding van (s)ker. Zie hieronder bij schransen.
3b3. schransen
Gulzig eten, breken, kauwen. Breuk, scheur, reet. Splijten, scheuren, breken.
3b4. schor
Er is geen reden de woorden schor en steile kust, rots van elkaar te scheiden: steile helling van klip of zandbank, immers aan de zijde van de zeestroming vallen de randen der schorren gewoonlijk steil af naar de waterspiegel. Ook sker (on) duidt de even boven water uitstekende klip aan. Het woord is afgeleid van scheren, daarnaast de vormen schaar en scheer.

3c. scherp
Hard, droog, ineengeschrompeld.
Verder krabbelen, prikkelen, opensnijden, ontweiden, kuil, schruft, scherp, bitter, droog zijn; en: afval, scherp, snijden, ruw.
Gewoonlijk (s)kerb als afleiding van s(k)er (snijden, waarvoor zie scheren).
Maar uit het oudnoors blijkt dat men zal moeten uitgaan van de betekenis verschrompeld, dor, ingedroogd. Dan is eerder verband te zoeken met de groep van schrapen-, men kan dan verbinden met krambos (gr - dor, verschrompeld) en woorden als herpa, harpa (ijsl - samentrekken) en met de nasaalinfix (h)rimpfan (ohd), hrimpan (oe - fronsen). Verder ook schurft en kramp.
Op grond van deze vormvarianten denkt H.K. aan de mogelijkheid, dat deze woordgroep teruggaat op dalectmenging in indogermaanse talen, die op het ontstaande germaans zouden ingewerkt hebben.
3c1. schrapen
Schrapen, koppen zetten, krassen, schaven, krabben, knagen.

3d. scherf
Scherf, brok, pot, pan, een muntstukje. Men kan onderscheiden 1. vorm met a: scharf (mnd - klein muntje), skarfr (on - schuins afgesneden houtblok); 2. met e.: scherf (mnd - muntstukje), scerf (ohd); 3. met i: scirbi (ohd - scherf, aarden pot), skerbin (os - aarden pot).
Verder: in kleine stukken snijden, knagen, bijten, graszoden snijden, ploegmes, plukken, vrucht, sikkel, zwaard, schaal, schedel, afslaan, verminken, knippen, scheren.
Afleiding van (s)ker, waarvoor zie scheren. Zie ook hieronder: herfst en schurft.
3d1. herfst
Eigenlijk oogst, oogsttijd. Vergelijk karpós (gr - vrucht), carpere (lat - plukken). Terug te voeren op (s)kerp.
3d2. schurft
Betekent eigenlijk gekloofde ruwe huid. Staat ablautend naast scherf. Vergelijk karpa (lit), karpa, karpis (lett - wrat).
Bijeenschrapen, met de poot krabben, in kleine stukjes snijden, schaven, stukscheuren.

3e. scheerling
Naam van een plant: is te verklaren, doordat de plant graag bij mesthopen of op gemeste delen van de akkers groeit. Afgeleid van scam (mnl), skem (ofri), scearn (oe), skam (oe - mest, drek).

3f. scherm
Scherm, beschutting. Indien men uitgaat van het "uit huiden gemaakte schild", dan kan men aanknopen bij carman (oi - huid), corium (lat - dikke huid, leer), een afleiding van de indogermaanse wortel (s)ker (snijden). Vergelijk scheren, beschermen en schermen (= zich dekken tegen een aanval, pareren, vechten).

3g. scharrelen
Met poten de grond omwoelen (van hoenders), zich onzeker voortbewegen, met moeite in zijn onderhoud voorzien.
Krabben, afkrabben, wroeten, een knarsend geluid maken, een schrapend geluid maken. Grondvorm skarzon van de indogermaanse wortel (s)kars (krabben, kammen). Vergelijk kasati (oi - wrijft, krabt), carro (lat - wol kaarden), carduus (lat - distel), karsiu, karsti (ht - kammen, roskammen, kaarden), krasta (osl - huidkorst, schurft), harst (mnd - hark).

3h. schrijven
Scriven (mnl - schrijven, tekenen, borduren, schilderen), scrivan (frank), skriban (os), scriban (ohd), skrrCa (ofri - schrijven). Ontleent aan scribere (lat). Met een andere betekenis-ontwikkeling geschiedt de overname in het oudengels scrifan (iemand een straf of boetedoening opleggen, toewijzen, toekennen).
Het latijnse woord hangt samen met griekse (krabben, inritsen), van een indogermaanse basis skeribh, waarnaast (s)keiip in "rijven". Het is daarom niet onmogelijk dat het germaans reeds een skriban (ritsen) bezat en dat alleen de betekenis "schrijven" aan het latijns ontleend werd. Voor het runen ritsen werd het werkwoord rijten gebruikt.
3h1. rijten
Scheuren, schrijven, ingriffelen, insnijden (runisch hrita).
Opmerkelijk is dat naast germaanse hritan met dezelfde betekenis ook writan voorkomt, dat in het hoogduits met het eerste tot reissen moest samenvallen; wrijten, vrijten (draaien), writan (os - kerven, wonden, schrijven), writa (ofri), writan (oe), rita (on - krassen, schrijven). Vergelijk ouddeens, runisch w(a)rait (ritste), welke woorden men verbind met rhinos (gr - huid, leren schild), rhine (vijl, haai) van de indogermaatse wortel urei (ritsen). Ook wroeten.
3h2. rein
Het Zwitsers en rijn-frankisch bewaren nog de oude betekenis "fijn gemalen, gezeefd". Germaanse wordtel hraini is afgeleid van de indogermaanse wortel (s)kerei (scheiden, ziften). Vergelijk cemo (lat - scheiden, zeven), krino (gr - scheiden, beslissen).

3i. schroeien
Schroien (mnd - schroeien). Misschien terug te voeren op grondvorm skrohjan, naast skreha; vergehjk schra (mnd - dor, mager). Dan zou het schroeien dus aanduiden het "ineenschrompelen van de gezengde huid". Zie dan verder schraal.
3i1. schraal
Dor, dun, ellendig, arm, schaars. Dun, mager, droog vel. Verder: oorkonde, wetboek, stuk leer, document, oorkonde.
(S)ker: verschrompelen, en gaat dan uit van iets dat door schrompelen scheuren krijgt. (s)ker: buigen, krom, waarvoor zie schraag.
3i2. schraag
scraghe (mnl), schrage (mhd), schrage (nhd - toestel ter ondersteuning, bestaande uit een balk op twee elkaar kruisende latten). Genoemd naar de beide schuin staande houten. Gaat terug via schreg, schrag op (s)krek (idg), waartoe ook okorca (russ - gebogen deel van de slede), korca (russ - kramp), kirkos (gr - ring), circus (lat - cirkellijn). Gutturaal- afleiding van de wortel (s)ker (buigen, krom).

4a. scheiden
Sceiden (mnl), scêden (mnl), skethan (os), sceidan (ohd), sketha (ohfi), scadan (oe), skaidan (got),
Noordgerm. -> in afleidingen als skeid (weefkam, lepel), skid (gekloofd stuk hout, sneeuwschoen).
Vergelijk sciath (oiers - schild), stitu (osl) naast staytan (opr) voor scaytan, scutum (lat - schild).
4b. schijten
Sciten (mnl), schiten (mnd), scizan (ohd), scheissen (nhd), scitan (oe), shit (ne), skita (on). Daarbij, behalve scheet ook:
scite (mnl - ontlasting, stront), schite (mnd - drek), schize (mhd - buik-loop), skitr (on - stront), scitte (mnl - stoelgang, drek), scitte (oe - buikloop).
De grondbetekenis is afscheiden, vergelijk skliizo, schizo (gr - splijten), scindo (lat - scheuren, splijten), chinatti (oi - afsnijden, splijten), skiedziu skiesti (üt - scheiden), skiedu, skiest (lett - verstrooien, verkwisten).
4c. schijf
Plat en rond voorwerp, delen, klein stukje, splinter.
4d. schip
Het germaanse skipa is nultrap van skeib. Men gaat uit van "gespleten blok hout" en denkt dan aan de oudste vorm van het schip, de uitgeholde boomstam.
4d1. schiften
Sciften, scichten (mnl - scheiden, delen), schiften, schichten (mnd - delen, regelen), skifta (ofri - regelen), sciftan (oe - delen, regelen, bepalen), shift (ne), skipta (on - verwisselen, ruilen, delen, beslissen).
Een afleiding van:
schippen (mnd), skipia (ofri), skipa (on - ordenen, inrichten), skiebti (Ht - lostomen), skibit (lett - houwen, snijden).
Skeib is een afleiding van skei, een typisch woord voor het primitieve bosbedrijf (duidt werkzaamheden aan als snijden en kappen. Van de twijgen maakte men vlechtwerk en horden die o.a. als omheining gebruikt werden). Tot deze begripssfeer behoorde ook "omheinde ruimte, waarbinnen de dingvergadering werd gehouden". Tot de daar gepleegde werkzaamheden behoorde ook het toedelen aan de leden der groep, hetzij van bezit of van arbeidsplichten; daaruit verklaart zich dan een betekenis "toedelen, ruilen beslissen".
4e. scheen
Scene (mnl - scheen, hol been, scheenplaat, lange smalle strook hout/metaal), schene (mnd - scheen, scheenplaat, lange smalle lat), scina, scena (ohd - scheen, strook metaal of hout, naald), scinu (oe - scheen).
En verder:
ïrscheinet! (ohd - breken), skenia (afri - breken), scaenan (oe - door even aanraken beschadigen), skeina (on - licht verwonden).
Naast:
scie (mhd - paal van een heining), scia (oe -scheenbeen).
Vergelijk:
chyati (oi - afsnijden), schao, schazo (gr - openritsen), scire (lat - weten, onderscheiden), scian (miers - mes), skiene, skiens (lett - borstbeen van een vogel, smalle lat), cevje (russ - handvat, scheenbeen).
In de betekenis van vlechtwerk, korf, zoals ook schene (mnl), skein (ne. gespleten wilgeteen voor fijn vlechtwerk). Opmerkelijk zijn skina (nnoorw), skena (nzw - scheef), die kunnen wijzen op een grondbetekenis "scheef snijden" (schuin -> scheen).
4f. schier
Langwerpig gekloofd stuk hout, scherpzinnig, onderscheiden.

5a. schuur
Beschutting. Afdak, planken keet. Een afleiding van skeu: bedekken (waarvoor zie schuilen).
5b. schuilen
Verborgen zijn, zich bergen, zich verbergen, loeren. Bescherming, schuilplaats.
- skeut: huid, schoen
- skeul: schuilen
- skeur: schuur
- skeus: huis (?)